3/ Kort Verhalen

Beste Lezers,

Het volgende verhaal heb ik in een gekuiste versie van het plaatselijk dialect geschreven.

Een Vertellingeske Van De Streek

rameyen

Héél héél lang geleden stonden er hier nog geen huizen en de streek was gekend als “Den Heikant”.

De streek van “de Witte Wijven”, die de mannen verloren deden lopen op de hei, de streek van  de “Korenpater” die de kinderen in ’t koren trok en hun grote teen afbeet om hun bloed op te zuigen en ze zo helemaal leeg te drinken, de streek van de “Dwaallichtjes” die de mensen in ’t moeras lokten zodat ze verzopen en nog veel andere mottige schepsels waar ik nu geen tijd voor heb om dat allemaal uit te leggen.

In ’t kort vertelt : ’t was hier gezellig wonen.

Waar ik nu zit stond nog geen huis zoals dit, maar een klein “ hutteke”. En in dat “ hutteke “  woonde er een vader, een moeder en twee kindjes, maar dat is een ander verhaal. Afijn, de Nonkel van die twee kindjes, “Sus Van Balder van Zwette Kraai”, want zo’n namen gaven ze de mensen toen, die zat elke zaterdagnacht, te vissen op de Nete aan d’Hellebrug. Ze noemden dat d’Hellebrug omdat de duivel daar in de buurt in de grond zou gekropen zijn toen Jezus hem met zijn kloten uit den hemel had gesjot. Maar daar geloof ik allemaal niet in.Dus, de Sus ging  daar  vissen.Maar daar gaat mijn verhaal eigenlijk niet echt over.

Ik wilde jullie vertellen over “’t Hof van Rameyen”.Het “Hof van Rameyen” is een waterslot aan de oevers van de Nete tien minuten gaans van de Hellebrug, door de familie Berthout in de dertiende eeuw gebouwd.  Maar ik ga jullie niet vervelen met heel de geschiedenis van dat kasteel; alhoewel dat het wel interessant is.                                                   Maar ik heb daar nu geen tijd voor. De tijd waar ik wil over spreken is hééél lang geleden, ik denk een jaar of 100….. Allee, juist voor onze tijd. De tijd dat er in de kerken nog Witte Paters “Hel en Verdoemenis “ kwamen preken, waardoor de meeste mensen een week of soms wel twee weken met “platte kak” liepen van de grote schrik. Eén van die paters die was die zelfde zaterdagavond, toen Sus Van Balder van Zwette kraai op de Nete zat te vissen,  te gast bij Meneer Bilmeyer, want die  woonde toen in het kasteel en  nodigde af en toe een eenzame pater uit om zijn goed hart te laten zien. Met het gedacht om zo zijn plaatske in de hemel te verdienen.

Afijn,  het dochterke van “ Den Billemans”, want zo noemden de mensen Meneer Bilmeyer ook , omdat hij toch wel een redelijk dik gat had; maar dat heeft minder belang. Dat dochterke was héél ziek, en ook héél lelijk. Ze keek redelijk scheel, had van dat droog vuilgeel muizenhaar en een gekloven vel met links en rechts serieus wat schimmel van de vochtigheid  en … ze stonk ook wel een beetje.  Kortom het kind was niet gelukkig.

Vooral ’s nachts lag dat jonk te huilen van de pijn omdat de linnen lakens van haar bed dat teer fragiel “ velleke “ nog meer deden barsten, tot bloedens toe. Den Billemans zat daar mee in, want de mensen die s ’avonds voorbij het kasteel liepen, die hoorden dat gejammer en die dachten dat het daar spookte.  Ze hadden ervaring met die grellige fenomenen in die tijd. En  er werd heel rap geroddeld in deze contreien. Misschien is dat bij jullie ook zo. Maar kom, dat doet hier niet ter zake.

Die zaterdagavond was het dus niet anders en Meneer en Madam Bilmeyer  en die Witte Pater, van wie nooit is geweten hoe hij hete, die zaten aan de tafel. Er werd “ gefret ” dat het vet van hun kin liep en de wijn in “ plaskes “ op de tafel bleef liggen van het “ smossen.”  Behalve Bilmeyer , die zijn eten smaakte toch niet en hij zat me zijn hoofd in zijn handen. Hij had “precies“ geen honger.  Na de zeven gangen en het dessert, rijstpap met bruine suiker, want dat was een heel bekend dessert in die tijd, zei die Witte Pater tegen Mijnheer Bilmeyer: Bilmeyer, beste man, breng me bij uw dochter ”                                 Meneer Bilmeyer bekeek de Pater en wilde  vragen of hij zot geworden was. Met  een volle maag, barstensvol  lekker eten en een lekker dessert, de kamer van zijn zieke dochter binnengaan was precies geen goed idee. Het stonk daar naar alles wat ge niet wilt rieken : “ pis “, “ kak “, “ spauwsel “ , “ natte frakken “ en “ vuil muizen”.                                                Juist maar  om jullie een idee te geven hé.

Maar die Witte Pater hield niet af en Meneer Bilmeyer ging met hem naar boven. Hoe hoger ze gingen, hoe harder dat dat ziek jonk lag te jammeren; het  kon ook zijn omdat ze dichterbij kwamen. Daar ben ik wel niet helemaal zeker van. Maar, ’t kon zijn.

Die Witte Pater  ging de kamer van het dochtertje binnen en deed de deur achter zich dicht. En Meneer Bilmeyer bleef op “ den allée ” staan. Allee…, nu noemen ze dat de overloop in “ ’t schoon vloms “. Maar toen spraken de mensen nog geen  schoon vloms  , ze verstonden het zelfs niet . Maar ik dwaal weer af. Ondertussen was het binnen in die kamer een lawaai en een geroep en een getier dat horen en zien verging. De chambrangs sprongen van de muren en de verf “ begost ” van de deur af te bladderen. Gevloek, gebleit, geklop ……………  en ineens, ineens : bonk !!!!!!  ………en de wijzers van alle klokken in het kasteel vielen naar beneden  op de zes!                                                                                               En toen werd het stil. Héél stil.

Het heeft lang geduurd vooraleer  Meneer Bilmeyer de kamer durfde binnen te gaan. Pas toen hij stillekes hoorde snikken had hij genoeg moed verzameld om te gaan kijken. Hij deed de deur open en ……………………op het vuile, vieze bed van zijn dochterke zat een beeldschoon meisje. Met schoon blonde krollekes en blauw ogen gelijk dat ge nog nooit hebt gezien; allez…, jullie misschien wel, maar ik toch niet. En daarbij, ge kunt dat niet weten, want ge waart er niet bij !

Wat er met die Witte Pater gebeurd is, heeft nooit iemand geweten. Er zijn mensen die zeggen dat het Jezus was, die hier nog rondliep want die was hier nog niet overal geweest langs dees kanten.  Maar dat weet ik zo nog niet. Want waar zou die dan geslapen hebben ?Maar ja, dat zijn mijn affaires niet. Iedereen doet wat  hij wilt hé.

Wat  de mensen van Gestel wel hebben gezien – en Sus van Balder van Zwette Kraai ook want die sloeg met “ zen botte “ in’ t water van de Nete van ‘t verschieten – ge weet  nog dat die daar elke zaterdag  zat te vissen ,… aan d’Hellebrug, dat was een vuurflits die van ’t kasteel kwam en die recht aan d’Hellebrug de grond in schoot; “Den Duvel “ zei iedereen ……….. Maar ik geloof dat zo nog niet.

Maar als ge aan de Nete  staat ter hoogte van de Hullebrug want zo noemen ze die brug nu ook uit grote schrik voor de duivel, en ge luistert héél aandachtig, dan hoort ge heel soms “ den duvel ” jammeren in zen holleke. En als ’t heel koud is zeggen de mensen hier ook:“Blèft in a holleke en pipt ni”. Dat doen ze om de duivel bang te maken, in feite ook omdat ze het zelf in hun broek zouden doen moest hij toch tevoorschijn komen. Ze zouden rap “ platte kak “ krijgen.

Ikke niet want ik geloof ik dat allemaal niet echt ………….

Of hoogstens een klein “ bietje …………”

“ Mor, just mor een héél klein bietje zenne.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s